Actuele grondwaterstandindicator
Info
De grondwaterstandindicator is gebaseerd op maandelijkse peilmetingen in het primair meetnet door de VMM, SCK en De Watergroep voor freatische peilfilters met continue meetreeksen van minstens 11 jaar. Die maandelijkse peilmetingen worden aangevuld met dagelijkse modelberekeningen voor de periode 1991- heden.
- Wil je meer informatie over hoe de grondwaterstandindicator, de kaarten en figuren op deze pagina zijn opgesteld? Neem dan zeker een kijkje op de pagina 'Opbouw grondwaterstandindicator ' en naar de algemene pagina van de grondwaterstandindicator.
- Wil je de grafieken en cijfers van de meest actuele indicator meteen op kaart bekijken in de DOV-verkenner? Neem dan een kijkje op de kaartlaag 'Grondwaterstandindicator freatisch grondwater voor de tijd van het jaar (meest actueel)'.
- Wil je de rapporten van de afgelopen maanden en jaren bekijken, dat kan bij de 'Historische grondwaterstandindicator'.
- De actuele waterschaarste- en droogtetoestand in Vlaanderen kan u vinden op www.opdehoogtevandroogte.be.
datum rapport: 06-10-2026
referentiedatum: 05-10-2026
aantal gebruikte meetplaatsen: 170
Historische vergelijking
De freatische grondwaterstand schommelt tijdens het jaar: hoog op het einde van de winter en laag op het einde van de zomer. Met de grondwaterstandindicator kijken we naar de toestand van het grondwater t.o.v. alle peilen gedurende het jaar (absolute vergelijking) en de toestand voor de tijd van het jaar (relatieve vergelijking).
-
Absolute vergelijking: Staat het freatisch grondwater hoog of laag (t.o.v. alle dagelijkse peilen van de referentieperiode)?
Op 5/10/2026 vertoonde 93% van de meetplaatsen een zeer lage (75%) tot lage (18%) freatische grondwaterstand. 6% vertoonde een normale en 1% een hoge grondwaterstand. Er zijn geen zeer hoge grondwaterstanden waargenomen ( (Figuur 1).
Op Figuur 1 zien we dat het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden al sinds begin augustus stabiel rond de 90% blijft. Verder zien we dat tijdens het voorbije hydrologische winterseizoen 2025-2026, zowel het aandeel als de duur van hoge grondwaterstanden duidelijk kleiner waren dan tijdens het hydrologisch winterseizoen 2024-2025. Gedurende het afgelopen hydrologisch zomerseizoen (april-september 2026) was zowel het aandeel als de duur van lage grondwaterstanden groter dan in dezelfde periode in 2025. Deze evolutie is het gevolg van het uitzonderlijk natte jaar 2024, gevolgd door het overwegend droge jaar 2025, en de overwegend warme en eerder droge periode in 2026 tot heden.
Begin oktober 2026 bevinden we ons aan de start van het hydrologisch winterseizoen (oktober-maart), wanneer de grondwaterstanden doorgaans hun jaarlijkse minimum bereiken en vervolgens geleidelijk beginnen te stijgen. Sinds begin april is het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden toegenomen tot 93%. Dat aandeel ligt hoger dan het maximum dat in het droge jaar 2025 werd bereikt (82% in september-oktober 2025) en ruim boven het maximum van het natte jaar 2024 (36% begin september 2024).
De scenariogebaseerde voorspellingen voor de periode 06/10/2026-05/11/2026 tonen dat lage tot zeer lage grondwaterstanden in alle weerscenario’s blijven domineren. Bij normaal of droog weer blijft dat aandeel rond of boven de 90%, terwijl het bij nat weer kan afnemen tot iets meer dan 70%. De voorspellingen zijn weergegeven in het rechterdeel van Figuur 1.
-
Relatieve vergelijking: Wat is de toestand van de freatische grondwaterstand voor de tijd van het jaar?
Op 05/10/2026 vertoonde 84% van de meetlocaties een zeer lage (65%) tot lage (19%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar, 14% een normale en 2% een hoge grondwaterstand. Zeer hoge grondwaterstanden werden niet waargenomen. De afgelopen maand nam het aandeel ’laag tot zeer laag’ eerst af als gevolg van enkele neerslagevents, waarna het opnieuw toenam (Figuur 2).
Figuur 2 illustreert duidelijk de invloed van de weersomstandigheden op het freatische grondwater. Het uitzonderlijk natte jaar 2024 werd gekenmerkt door een groot aandeel hoge tot zeer hoge grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Door de zeer droge lente en zomer van 2025 kregen lage tot zeer lage relatieve grondwaterstanden vervolgens de overhand. Nattere periodes in de eerste helft van 2026 temperden dat beeld enigszins, maar de zeer droge periodes in april, juli, de eerste helft van augustus, en september zorgden uiteindelijk opnieuw voor een groot overwicht aan lage tot zeer lage relatieve grondwaterstanden.
De scenariogebaseerde voorspellingen voor de periode 06/10/2026-05/11/2026 tonen aan dat lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar in alle weerscenario’s blijven domineren. Bij normale en droge weersomstandigheden blijft hun aandeel zeer hoog (respectievelijk circa 80% en 85%), terwijl dit bij nat weer kan afnemen tot iets meer dan 50%. De voorspellingen zijn weergegeven in het rechterdeel van Figuur 2.
Figuur 3 toont de evolutie van de relatieve toestand van 01/01/2000 tot 01/09/2026. In de periode 2017-2020, in het jaar 2022, en opnieuw vanaf 2025 tot heden kwamen langdurige periodes met grote aandelen lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar voor. In die periodes waren langere fasen met overwegend normale tot hoge grondwaterstanden eerder uitzondering dan regel. De natte periode begin jaren 2000, de natte zomer van 2021 en de periode vanaf 2023 tot begin 2025 staan in sterk contrast met de droge periodes ervoor en erna.
Deze evolutie hangt nauw samen met de hoeveelheid neerslag en verdamping. Samen bepalen ze het neerslagtekort of -overschot. Bij een groter dan normaal neerslagtekort dalen de grondwaterstanden sneller of herstellen ze trager dan normaal, en omgekeerd. Als door de klimaatverstoring uitzonderlijk droge of natte periodes vaker voorkomen of langer aanhouden, zal dit zich ook weerspiegelen in de toestand van het freatische grondwater.
Figuur 4 toont de verdeling van de verschillen (op 170 locaties) tussen het gemiddelde grondwaterpeil voor elk individueel seizoen en het gemiddelde peil voor datzelfde seizoen tijdens de referentieperiode 1991-2020. Deze grafiek toont in welke mate de grondwaterpeilen afwijken van het normale niveau voor een bepaald seizoen. In de lente en zomer van 2024 lag de gemiddelde grondwaterstand van de mediane meetplaats ruim 40 cm hoger dan normaal. Ook in de natte periode 2000-2002 lag die grondwaterstand enkele tientallen centimeter hoger dan normaal. In de periode 2017-2020, met als uitschieter de herfst van 2018, lag die grondwaterstand net enkele tientallen centimeter lager dan normaal. Vanaf de lente van 2025 tot heden is de grondwaterstand opnieuw duidelijk lager dan normaal.
Is het freatische grondwater gestegen of gedaald ?
Op 05/10/2026 lagen de absolute freatische grondwaterstanden op 47% van de meetplaatsen lager dan een maand eerder. Op 39% van de meetplaatsen bleven de peilen stabiel en op 14% was er een stijging te zien. Begin oktober markeert de overgang van het hydrologisch zomerseizoen naar het hydrologische winterseizoen. Na een periode van overwegend dalende grondwaterstanden breekt normaal gezien een periode aan waarin de (absolute) peilen opnieuw stijgen.
Zoals hiervoor vermeld, vertoonde op 05/10/2026 84% van de meetlocaties een zeer lage (65%) tot lage (19%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar, 14% een normale en 2% een hoge grondwaterstand. Zeer hoge grondwaterstanden werden niet waargenomen. De weinige locaties met een normale tot hoge grondwaterstand komen vooral in het oosten van Vlaanderen voor.
Figuur 5 toont de relatieve grondwaterstandindicator in combinatie met de recente stijging of daling van de grondwaterstand.
Worden er volgende maand zeer lage of zeer hoge freatische grondwaterstanden verwacht?
Volgende maand verwachten we quasi geen zeer hoge grondwaterstanden (>P90) voor de tijd van het jaar. Enkel bij nat weer zou dat het geval zijn op 1% van de meetlocaties (Figuur 2 en Figuur 6).
Volgende maand verwachten we bij droog weer op 69% van de meetplaatsen zeer lage (<P10) grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Bij normaal en nat weer wordt dat percentage respectievelijk 56 en 28%. Deze meetplaatsen liggen verspreid over Vlaanderen. Locaties waar geen zeer lage relatieve grondwaterstanden worden verwacht, bevinden zich voornamelijk in de oostelijke helft van Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 7).
Besluit freatisch grondwater
Onder invloed van de aanhoudende droogte blijven de grondwaterstanden overwegend laag tot zeer laag voor de tijd van het jaar. Op 05/10/2026 vertoonde 84% van de meetlocaties een zeer lage (65%) tot lage (19%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar, 14% een normale en 2% een hoge grondwaterstand. Zeer hoge grondwaterstanden werden niet waargenomen. Ook de komende maand blijven lage tot zeer lage grondwaterstanden in alle doorgerekende weerscenario’s domineren.
Meer info over de werking van het grondwatersysteem (en de betekenis van lage grondwaterstanden) vind je in dit filmpje. Op dov.vlaanderen.be vind je alle grondwaterstanden, de huidige toestand en de interactieve kaart voor het freatische grondwater.